Wielergoud in de schaduw van Geesink: ‘Hij was groter, wij het meevallertje’

0
11

Een enkele keer, als een liefhebber op bezoek komt, wil Jan Pieterse zijn gouden olympische medaille nog wel tevoorschijn halen. Als hij ‘m kan vinden tenminste. “Hij hangt niet in het zicht. Ik zou niet eens weten waar hij nu precies ligt. Het is ook al lang geleden.”

De Olympische Spelen van 1964 zijn vooral de Spelen van Anton Geesink. Zijn gouden judomedaille in Tokio leverde de Utrechter een plekje op in de eregalerij van de Nederlandse sport.

Hij was echter niet de enige Nederlander die Japan verliet met olympisch eremetaal. Want wielrenner Pieterse verraste door met Gerben Karstens, Bart Zoet en Evert Dolman te zegevieren op de 100 kilometer ploegentijdrit.

Een ondergesneeuwde gouden plak wil Pieterse het niet noemen, dat is hem te negatief. Bovendien snapt hij wel dat Geesinks triomf de meeste aandacht kreeg. “Hij was niet alleen qua postuur groter, zijn naam was dat ook. Wij waren nieuwelingen. Van Anton werd veel verwacht, wij waren een meevallertje. Maar we hebben het gehaald en het was nog verdiend ook.”

‘Leuk en aardig’

Het wielerkwartet kreeg in Tokio de felicitaties van prinses Beatrix, aanwezig bij de Spelen, maar daar bleef het wel bij. Tot een uitbundig feest kwam het niet. “Thuis hebben we wel wat huldigingen gehad, maar we waren daar voor de sport. Het was natuurlijk leuk en aardig, maar we waren niet zulke feestvierders. Dat ben ik nog steeds niet trouwens.”

Bekijk hieronder een aflevering van Andere Tijden Sport uit 2008 over de gouden wielerploeg van Tokio.

Anderhalve maand voor de Spelen van 1964 leek een gouden verrassing nog heel ver weg. De wereldkampioenschappen wielrennen in het Franse Sallanches liepen, zo zegt Pieterse, uit op een fiasco. Het Nederlandse viertal strandde daar op de twaalfde plek.

Het dwong bondscoach Joop Middelink tot een wissel in de ploeg. André van Middelkoop ging eruit, Karstens kwam erin. “Dat werd wel een succes”, zegt Pieterse met gevoel voor understatement.

‘Dit was een gesmede ploeg’

In aanloop naar de Spelen nam Middelink de vier renners een week in huis. Noem het een vorm van teambuilding, ver voor dat woord populair werd. “Wielrenners zijn allemaal individualisten, die komen alleen voor zichzelf op. Maar dit was een gesmede ploeg.”

Karstens bleek in de groep in staat om Bart Zoet, die nog weleens te hard van stapel liep waardoor de ploeg zich opblies, onder controle te houden. “Bart deed soms een beetje dwars, wilde de zaak opjutten, maar Gerben kon hem nog wel in toom houden”, weet Pieterse nog.

Op 14 oktober begon het Nederlandse kwartet in de stromende regen in Tokio aan de olympische tijdrit. Het waren weersomstandigheden die de Oranje-renners niet deerden. “Dat was voor ons niet zo erg, misschien zelfs wel een voordeel. Wij waren het natuurlijk wel gewend, koersen rijden in de regen.”

De ploeg vertrok als tweede en haalde in de tweede van drie rondes het als eerste gestarte Frankrijk in. Pieterse: “Beter kon niet, maar het was afwachten tot de laatste ploeg binnenkwam.”

Dat wachten duurde wel even, want na Nederland vertrokken er nog 31 landen. En toen iedereen gefinisht was, bleek de Nederlandse ploeg topfavoriet Italië een kleine halve minuut achter zich te hebben gehouden. “We hebben verschrikkelijk goed gereden.”

Terug in Nederland, na alle (bescheiden) festiviteiten, vond Pieterse onderdak bij een commerciële ploeg. “Maar bij de beroepsrenners heb ik weinig goeds kunnen laten zien”, vat hij zijn profcarrière samen.

“Bij een val heb ik een zware hersenschudding opgelopen. Ik kwam in het ziekenhuis terecht en toen ik daarvan was hersteld, was het seizoen bijna over.”

Pieterse voelde zich al niet zo thuis in de wielerwereld en besloot op 23-jarige leeftijd een punt achter zijn loopbaan te zetten.

“Toen een bankdirecteur van de boerenleenbank (tegenwoordig de Rabobank, red.) had gehoord dat ik zou stoppen, ben ik daar in dienst gekomen als verzekeringsman. Eerst in loondienst, daarna heb ik het nog veertig jaar als zelfstandige gedaan.”

Ronde van Vlaanderen en de gele trui

Twee van de drie anderen beleefden wel succes als profrenner. Dolman won in 1971 de Ronde van Vlaanderen. Karstens wist zes Touretappes op zijn naam te schrijven, een rit in de Giro en maar liefst veertien etappes in de Ronde van Spanje. Ook droeg hij in 1974 enkele dagen de gele trui.

Na de Spelen van Tokio verloren de vier olympisch kampioenen elkaar snel uit het oog. “Gerben sprak ik nog weleens een enkele keer, maar die andere twee niet vaak. Ze leefden wat teruggetrokken, gaven zichzelf niet zo gauw bloot.”

Zoet had moeite zijn leven op de rails te houden en stierf op 49-jarige leeftijd, op 13 mei 1992. Een jaar later (op 12 mei 1993) overleed ook Dolman, die aan een hersenziekte leed en zijn laatste jaren in een verpleeghuis doorbracht.

Pieterse: “Met Gerben heb ik ook nu nog maar zelden contact. We lopen er niet zo mee te koop, dus het verwatert ook wat. Bij bijeenkomsten waar oud-winnaars in het zonnetje worden gezet, komen we elkaar soms tegen, maar dat is ook al lang geleden.”

Een bord aan de muur

De jaren sinds zijn gouden triomf zijn verstreken en de medaille van Pieterse ligt ergens opgeborgen in een kast, na even zoeken weet hij vast wel waar. En toch wordt hij thuis dagelijks herinnerd aan zijn wielersuccessen. “Er hangt wel een bord, dat heb ik van wielerunie KNWU gekregen.”

“Tokio 1964 staat erop. Dat bord hangt aan de muur.”

En dan, plots, realiseert Pieterse zich dat die honderd kilometer tijdrit helemaal geen honderd kilometer was. “We reden 109 kilometer. En dan olympisch kampioen worden, hoger kan niet. Dat is top natuurlijk.”

Bron: nos.nl